nmi1 fas
orde

Overtoom 538hs

1054LL Amsterdam

020 618 76 43

en


Overtoom 538hs

1054LL Amsterdam

020 618 76 43

Bevoegdheid Nederlandse rechter

In Nederland geldt in internationale echtscheidingszaken in het algemeen: “Wie het eerst komt, die het eerst maalt”. Als in het buitenland een procedure eerder aanhangig is gemaakt dan in Nederland, dan gaat het eerst ingediende verzoek voor en is de Nederlandse rechter in beginsel niet bevoegd. Daarnaast bestaat de zgn. litispendentieregeling (zie bijvoorbeeld artikel 12 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel  19 Brussel IIbis Verordening), die inhoudt dat de rechter hier ten lande de zaak aan kan houden in afwachting van een beslissing van de eerder aangezochte rechter. Is deze buitenlandse beslissing niet voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar, dan kan de rechtbank zich alsnog bevoegd verklaren en de zaak inhoudelijk behandelen. Op 6 april 2016 nam de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland een opmerkelijke beslissing. Hoewel de man het echtscheidingsverzoek eerder aanhangig had gemaakt in India dan de vrouw in Nederland, verklaarde de rechtbank zich tóch bevoegd.

De grond van het aannemen van bevoegdheid was gelegen in artikel 9c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarin staat opgenomen:

“Komt de Nederlandse rechter niet op grond van de artikelen 2 tot en met 8 rechtsmacht toe, dan heeft hij niettemin rechtsmacht indien een zaak die bij dagvaarding moet worden ingeleid voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is en het onaanvaardbaar is van de eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt”.

Ondanks het feit dat het hier om een verzoekschriftprocedure (immers: een echtscheiding) en niet om een dagvaardingsprocedure ging paste de rechtbank artikel 9 c toe. Het uitsluiten van verzoekschriftprocedures van de werking van dit artikel achtte de rechtbank in strijd met artikel 9 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (dat artikel bedoelt immers een vangnetbepaling te zijn voor een gewaarborgde toegang tot de Nederlandse rechter) en dus in strijd met artikel 6 EVRM (het recht op een eerlijk proces).

De feiten in deze zaak leverde de onaanvaardbaarheid op voor de vrouw zich aan het oordeel van de Indiase rechter te onderwerpen. In de zaak was, voorafgaand aan de echtscheidingsprocedure, al een door de man tegen de vrouw aangespannen teruggeleidingsprocedure in het kader van het Verdrag inzake internationale kinderontvoering (1980) gevoerd. Daarin beschuldigde de man de vrouw ervan het kind van partijen vanuit India naar Nederland te hebben ontvoerd. Het Gerechtshof Den Haag wees echter het teruggeleidingsverzoek van de man af, omdat de man toestemming had gegeven voor het verblijf van de vrouw en het kind in Nederland (ECLI:NL:GHDHA:2015:2288). Echter vlak daarna deed de man aangifte tegen de vrouw en vroeg in India wederom om teruggeleiding van het kind (ten tijde van het verzoek pas 1,5 jaar oud!), en om de uitlevering van de vrouw. Daarnaast lopen er vele aangiftes tegen de man in Nederland wegens stalking en bedreiging van de vrouw en haar familieleden, en gaf de man het paspoort van de minderjarige niet terug aan de vrouw, ondanks een vonnis van de kortgedingrechter waarin werd bepaald dat de man dit op straffe van een dwangsom moest doen. De vrouw kon onder ander daardoor niet zonder het kind naar India reizen om zich te verweren in de aldaar aanhangige procedures, welke procedures de man ook nog eens traineerde, hetgeen de rechtbank niet in het belang van het kind vond. De rechtbank verklaarde zich bevoegd en daarmee is er ook bevoegdheid ontstaan op de gedane nevenverzoeken (gezag, vaststelling hoofdverblijf van het kind bij de vrouw, etc.). Het subsidiaire verzoek de zaak aan te houden op grond van de litispendentieregeling werd afgewezen.

De man is van dit oordeel in hoger beroep gekomen; de procedure loopt nog.

(Rechtbank Noord-Holland 6 april 2016: ECLI:NL:RBNHO:2016:2749)