nmi1 fas
orde

Overtoom 538hs

1054LL Amsterdam

020 618 76 43

en


Overtoom 538hs

1054LL Amsterdam

020 618 76 43

Ouder met eenhoofdig gezag mag niet altijd vertrekken naar het buitenland

schipholOuders met het eenhoofdig ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen menen vaak dat ze zonder instemming van de andere ouder met het kind naar het buitenland mogen verhuizen. Dit is echter niet zonder meer het geval. Weliswaar wordt een dergelijke situatie niet aangemerkt als kinderontvoering in het kader van het Haags Verdrag inzake Internationale Kinderontvoering (1980) . Immers, daarvoor is nodig dat de ontvoerende ouder het kind heeft meegenomen in strijd met het gezagsrecht van de persoon van het land waar het kind onmiddellijk voorafgaand aan het vertrek zijn of haar gewone verblijfplaats had.

In een kort geding kan echter een voorgenomen vertrek worden verboden, ook al heeft de ouder die wil verhuizen het eenhoofdig gezag over het minderjarige kind. De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Maastricht oordeelde dat een moeder niet mocht vertrekken vanwege het feit dat zij in dat geval de bestaande omgangsregeling niet langer kon nakomen (Rechtbank Maastricht 14 november 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BZ0350). Een niet meer zo heel recente uitspraak maar nog steeds relevant!

In deze zaak was de moeder voornemens naar Ierland te verhuizen met haar minderjarige dochter. De vader was het daar niet mee eens en vorderde een verhuisverbod. Overigens was er tegelijkertijd een gezagsprocedure aanhangig waarin de vader om het gezamenlijk ouderlijk gezag had verzocht. Op dit verzoek was echter nog niet beslist.

De moeder was van mening dat zij, gezien het op dat moment geldende eenhoofdig gezag over haar dochter, gerechtigd was om te bepalen waar zij met het kind zou gaan wonen. Er zou geen sprake van zijn dat zij van de vader toestemming moet vragen, want op grond van artikel 1:377b BW zou de moeder slechts gehouden zijn de vader te raadplegen, aldus de zienswijze van moeder.

De Voorzieningenrechter achtte het voornemen van de moeder echter niet in overeenstemming met de op haar rustende ouderlijke verantwoordelijkheid om voldoende recht te doen aan de belangen van daadwerkelijk contact tussen het kind en haar vader.

Juridisch kader:

Artikel 1:247 lid 1 BW bepaalt dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder omvat zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Ingevolge het derde lid van artikel 1:247 BW omvat het ouderlijk gezag mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Artikel 1:377a lid 1 BW bepaalt dat het kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Voornoemd artikel bepaalt ook dat de niet met het gezag belaste ouder het recht en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. De ouders dienen zich in hun onderlinge verhouding ten aanzien van hun minderjarige kinderen verder te gedragen met inachtneming van maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

De rechter oordeelde als volgt:

De moeder heeft in beginsel volledige vrijheid haar leven naar eigen goeddunken in te richten en haar woonplaats te kiezen. Op grond van het eenhoofdig ouderlijk gezag heeft zij ook de bevoegdheid om te beslissen over de vraag waar het kind moet verblijven. Die vrijheid vindt haar begrenzing daar waar de belangen van het minderjarig kind onaanvaardbaar in het gedrang komen. Een van die belangen is instandhouding van de band tussen de dochter en haar vader.

In dezer zaak stond vast dat het kind op regelmatige basis van een weekend per veertien dagen (van vrijdagavond tot zondagavond) omgang had met haar vader. De moeder had verder, voorafgaand aan haar beslissing om naar Ierland te gaan verhuizen, de vader niet geïnformeerd, noch geraadpleegd.

De voorzieningenrechter achtte het voornemen van de moeder om met de dochter naar Ierland te verhuizen niet in overeenstemming met de op haar rustende ouderlijke verantwoordelijkheid om voldoende recht te doen aan de belangen van daadwerkelijk contact tussen het kind en haar vader.

De voorzieningenrechter legde bij wijze van als ordemaatregel de moeder een verhuisverbod met dwangsom op en veroordeelde de moeder tot nakoming van de bestaande omgangsafspraken.

Aldus kon de moeder niet met haar dochter verhuizen, niettegenstaande het feit dat alleen zij het ouderlijk gezag over de dochter uitoefende.

Uiteraard staat het een ouder in een dergelijk geval vrij om de bodemrechter om vervangende toestemming te verzoeken.