nmi1 fas
orde

Overtoom 538hs

1054LL Amsterdam

020 618 76 43

en


Overtoom 538hs

1054LL Amsterdam

020 618 76 43

Jeugdrecht

Op grond van het Internationaal Verdrag voor de rechten van het kind (IVRK) zijn ouders verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kind. Het belang van het kind staat hier voorop. De overheid is verantwoordelijk voor het verlenen van passende bijstand aan ouders bij de uitoefening van de verantwoordelijkheid van de ouders, indien zij daarmee problemen ervaren. In Nederland heeft de wetgever ervoor gekozen om bijstand aan te bieden in de vorm van jeugdhulp. De jeugdhulp wordt aangeboden door verschillende hulpverleningsinstanties. Eén van die instanties is Bureau Jeugdzorg (BJZ). BJZ biedt jeugdhulp aan minderjarigen tot 21 jaar. Er wordt onderscheid gemaakt tussen hulp in het vrijwillige kader en hulp in het gedwongen kader.

Ouders kunnen ten alle tijden hulp vragen aan een instelling voor jeugdhulp. Pas wanneer er sprake is van een ernstige opvoedings- of opgroeiproblematiek, komt het gedwongen kader in beeld. In de huidige situatie bestaat het gedwongen kader uit een paar specifieke kinderbeschermingsmaatregelen, te weten: de ondertoezichtstelling(OTS), de uithuisplaatsing, en de ontheffing uit het ouderlijk gezag. Deze zijn opgenomen in de op 1 januari 2015 in werking getreden Jeugdwet en de Wet herziening Kinderbeschermingsmaatregelen. Wat houden deze maatregelen zoal in?

Ondertoezichtstelling

Bij een ondertoezichtstelling (OTS) heeft de kinderrechter bepaald dat iemand toezicht moet houden op een kind, omdat het in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, en indien de zorg die in verband met het wegnemen van die bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een aanvaardbare termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, in staat zijn te dragen. De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie. Tevens zijn een ouder en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad voor de Kinderbescherming niet tot indiening van het verzoek overgaat.

De OTS is een gezagsbeperkende maatregel, in die zin dat het gezag van de ouder wordt beperkt, omdat de voogd, meestal een gezinsvoogdij-instelling, aan wie de rechter de uitvoering van de maatregel opdraagt, bemoeienis krijgt met het gezin waarin het kind opgroeit. Sinds 1 januari 2015 is deze uitvoering opgedragen aan de Gecertificeerde Instelling (GI). De ouders van het kind moeten zich gedurende de ondertoezichtstelling houden aan de aanwijzingen van de voogd c.q. GI.

De OTS kan ook voorlopig worden uitgesproken indien de procedure niet kan worden afgewacht en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. Dit kan ten hoogste voor drie maanden gebeuren. Soms gebeurt dit zonder dat er een zitting wordt gehouden waarop ouders en minderjarige gehoord worden. Ouders, minderjarige en overige belanghebbenden  dienen dan wel binnen 14 dagen ter zitting in de gelegenheid gesteld te worden om hun standpunten kenbaar te maken.

Uithuisplaatsing

Als dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. Hiervoor is altijd een machtiging nodig van de kinderrechter, en kan dus niet zonder machtiging omdat er al bemoeienis is van de GI met het gezin in het kader van de OTS. Een machtiging kan maximaal afgegeven worden voor een jaar en met de mogelijkheid van verlenging met steeds een jaar. Indien meermalen wordt verlengd komt -sneller dan voor de wetswijzigingen per 1 januari 2015!-  een gezagsbeëindigende maatregel in beeld (zie verder).

Gesloten uithuisplaatsing

In de eerste plaats dient een gesloten plaatsing niet verward te worden met een plaatsing in een justitiële jeugdinrichting (jeugdgevangenis). Het gaat hier gaat om een civielrechtelijke plaatsing die niets met het strafrecht te maken heeft maar alleen met opvoedkundige zaken in het belang van de minderjarige.

De gezinsvoogd als uitvoerder van de gecertificeerde instelling(GI) die de kinderbeschermingsmaatregel uitvoert, kan de machtiging (gesloten) uithuisplaatsing verzoeken indien deze nodig is in verband met ernstige opgroei- of opvoedproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

Een basale waarde van de Jeugdwet is “eigen kracht”, zo nodig met ondersteuning uit het netwerk en zo lang mogelijk in de eigen omgeving blijven. In het jeugdrecht gelden ook de beginselen proportionaliteit en subsidiariteit[1] en een (gedwongen) uithuisplaatsing is een ultimum remedium. De wet schrijft daarnaast voor dat de jeugdige in het geval van een uithuisplaatsing, indien redelijkerwijs mogelijk, bij een pleegouder of in een gezinshuis wordt geplaatst, tenzij dit aantoonbaar niet in het belang is van de jeugdige. Indien er nog mogelijkheden zijn voor hulp in het kader van de OTS zonder een gesloten plaatsing, moet eerst naar die alternatieven te worden gekeken. Het aanbieden van het opmaken van een familiegroepsplan is bijvoorbeeld een wettelijke verplichting (“eigen kracht”!). In het kader van een dergelijk plan zou bijvoorbeeld ruimte kunnen zijn voor het volgen van een training sociale vaardigheden (boosheid), systeemtherapie, nader onderzoek en diagnostiek, creatieve therapie, sport etc.

Artikel 8 EVRM brengt met zich mee dat bij elk individueel geval door de rechter de afweging gemaakt wordt of de ernst van de problemen, de inbreuk op het privéleven door de gedwongen opneming het gedwongen verblijf rechtvaardigen. Alternatieven moeten in die afweging worden betrokken.

Ontheffing ouderlijk gezag (gezagsbeëindiging)

De rechter kan bepalen dat iemand anders het gezag over het kind krijgt, bij blijvende ernstige problemen. Sinds 1 januari 2015 is hiervoor 1 gezagsbeëindigende maatregel in de wet opgenomen. Voor deze datum kon de rechter kiezen voor ontheffing of ontzetting uit het ouderlijk gezag. Deze maatregelen zijn opgegaan in de nieuwe maatregel. In het kader van de OTS hebben we al gezien dat een van de criteria voor het opleggen daarvan door de rechter is dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, in staat zijn te dragen. Indien de OTS (eventueel gepaard gaande met een machtiging uithuisplaatsing) al een paar keer verlengd is, is die verwachting er niet. Omdat het vaak niet in het belang van het kind wordt gevonden dat ouders telkens de OTS maatregel aanvechten of in discussie gaan met een gezinsvoogd/de GI, is dit criterium a.h.w. een wettelijke basis geworden om sneller dan voor 1 januari 2015 toe te werken naar een gezagsbeëindigende  maatregel. Een en ander betekent dat een ouder alleen nog het omgangsrecht heeft (link gezag en omgang), maar dat het gezag volledig is overgegaan van de ouder naar de GI of andere persoon.

[1] Artikel 8 lid 2 EVRM.